In het licht van artikel 3 het International Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) oordeelt de Rechtbank Den Haag dat de staatssecretaris de belangen van een minderjarige alleenstaande jongen onvoldoende heeft onderzocht om te beoordelen of er sprake is van een reëel risico wanneer hij wordt teruggestuurd naar Afghanistan.

De rechtbank oordeelt op basis van artikel 3 IVRK en artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat de staatssecretaris niet goed heeft beoordeeld wat de gevolgen voor de jongen zijn bij het ontbreken van een sociaal netwerk in Afghanistan. De staatssecretaris acht het bestaan van een netwerk enkel van belang indien bescherming nodig is. De rechtbank volgt deze argumentatie niet en geeft aan dat volgens de UNHCR (de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties) de enigen die het zonder externe steun redden in Afghanistan alleenstaande fysieke fitte mannen en getrouwde stellen zijn die oud genoeg zijn om hun eigen inkomen te verdienen. Als alleenstaande minderjarige valt de jongen buiten de door UNHCR genoemde groep.

Klik hier voor de uitspraak Rechtbank Den Haag, d.d. 20 april 2016 (beroep) (ECLI:NL:RBDHA:2016:4281).