Jurisprudentie
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam

Drie kinderen zijn met hun moeder de oorlogssituatie in Syrië ontvlucht. De moeder heeft zowel de  Syrische als Iraanse nationaliteit als gevolg van een huwelijk met een Iraanse man, de vader van de kinderen, die niet meer in beeld is. Hoewel de kinderen en hun moeder nooit in Iran hebben verbleven, stelt de staatssecretaris dat zij zich in Iran kunnen vestigen omdat zij daar geen problemen zullen ondervinden. De rechtbank verklaart het gedane beroep gegrond, omdat de staatssecretaris bij de beoordeling van de asielaanvraag onvoldoende rekenschap heeft gehouden met de belangen van het kinderen.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris uit mocht gaan van de Iraanse nationaliteit van de moeder en de kinderen en dat het niets is gebleken dat de moeder zich als alleenstaande verwesterde soenitische vrouw niet zal kunnen handhaven in Iran. De rechtbank oordeelt op basis van artikel 39 van het VN-Kinderrechtenverdrag dat de Staat ertoe verplicht is passende zorg te bieden die gericht is op herstel en herintegratie in de samenleving aan kinderen die slachtoffer zijn geworden van gewapende conflicten. De kinderen zijn als gevolg van het oorlogsgeweld in Syrië en hun vlucht naar Europa getraumatiseerd geraakt. Gedurende hun verblijf in Nederland ontvangen de kinderen bijzondere zorg in de vorm van speltherapie waarmee een precair evenwicht kon worden bereikt, hetgeen door de staatssecretaris niet is bestreden.

Omdat de staatssecretaris deze belangen van de kinderen niet heeft gewogen en beoordeeld, kan de beslissing op de asielaanvraag van de kinderen en hun moeder naar het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit wegens de strijd met artikel 3:46 Awb.

De uitspraak is op 7 oktober 2016 gedaan door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, maar niet gepubliceerd.