Jurisprudentie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
14/06/2016
ECLI:NL:GHARL:2016:4933

Moeder heeft in hoger beroep verzocht het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van haar dochter af te wijzen en de beschikking waarbij haar het gezag werd ontnomen te vernietigen. De dochter, een kwetsbaar meisje met leer- en concentratieproblemen, woont nu vier en een half jaar bij de pleegouders. Op basis van het VN-Kinderrechtenverdrag oordeelt het Hof dat de dochter hier tot haar volwassenheid zal opgroeien, de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is volgens haar verlopen.

Het gezag over ‘minderjarige 1’ berust bij de moeder. De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder en de vader hebben nog een zoon: ‘minderjarige 2’. In juli 2009, toen hun eerste kind, een dochter, vijf maanden oud was, is het kind opgenomen in het ziekenhuis. Volgens de ouders was hun dochter uit bed gevallen; het ziekenhuis vermoedde dat er sprake was van ernstige lichamelijke mishandeling. In juli 2010 is zij onder toezicht gesteld en met een machtiging uit huis geplaatst. De termijn van de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, de laatste tot 13 juli 2016. Ook de machtiging uithuisplaatsing is sindsdien steeds verlengd. Vanaf 2014 woont de dochter bij de pleegouders. In 2014 heeft de rechtbank een verzoek tot ontheffing van de moeder van het gezag afgewezen.

Met betrekking tot de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voert de moeder aan dat zij haar onschuld tegenover haar dochter wil bewijzen voor wat betreft de vermoedens van kindermishandeling. Zij wil graag erkenning dat zij een goede moeder is. Het Hof is hier van oordeel dat de algemene opvoedingsvaardigheden van de moeder niet ter discussie staan. Uit het feit dat minderjarige 2 niet uit huis is geplaatst, blijkt immers dat de moeder voor die minderjarige een goede moeder is. Bij de beoordeling of de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend, dient het belang van het oudste kind voorop te worden gesteld. Vast staat dat bij haar in de periodes dat zij bij de moeder en de vader woonde, tweemaal ernstig lichamelijk letsel is geconstateerd, met blijvende lichamelijke schade tot gevolg. Bij de minderjarige is sprake van een algehele ontwikkelingsachterstand. Zij kampt met leer- en concentratieproblemen, motorische problemen en spraakproblemen. Duidelijk is dat zij een kwetsbaar meisje is, dat gelet op wat zij in haar jonge leven reeds heeft meegemaakt, gebaat is bij continuïteit van de haar geboden hulp en rust en continuïteit van haar woon- en opvoedsituatie. Gebleken is dat de pleegouders haar dit kunnen bieden. De minderjarige verblijft inmiddels ruim vier en een half jaar bij de pleegouders en is aan hen gehecht geraakt. Het doorbreken van dit voortdurende proces van hechting kan haar ontwikkeling ernstig schaden en het is om die reden van belang dat de minderjarige in staat zal zijn tot haar zelfstandigheid bij de pleegouders te blijven wonen. Naar het oordeel van het Hof is de machtiging uithuisplaatsing dan ook terecht verlengd tot juli 2016.

Met betrekking tot de gezag beëindigende maatregel oordeelt het Hof op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter het gezag beëindigen onder de daar genoemde voorwaarden. De onder artikel 1:266 lid 1 onder a BW vermelde grond voor de maatregel is afgestemd op die voor de ondertoezichtstelling. Zij vormen elkaar spiegelbeeld. Als duidelijk is dat de ouders niet (weer) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, kan de rechter het gezag van de ouders beëindigen. Verlengingen van een ondertoezichtstelling zonder perspectief op terugplaatsing zijn niet meer mogelijk. Over de vraag in welk gezin het kind verder zal opgroeien is -bij het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind- het ijkpunt de periode die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen. De toepassing van dit uitgangspunt vereist maatwerk; precieze termijnen zijn niet te geven.

In deze zaak oordeelt het Hof op basis van het VN-Kinderrechtenverdrag dat de dochter hier tot haar volwassenheid zal opgroeien, de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is volgens haar verlopen. Zij heeft zich positief ontwikkeld bij de pleegouders en heeft een deel van haar ontwikkelingsachterstand ingelopen. Met de rechtbank is het Hof dan ook van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarige is verstreken. Het Hof acht het in het belang van de minderjarige dat door middel van de beëindiging van het gezag van de moeder, duidelijk wordt dat de minderjarige in ieder geval tot haar volwassenheid zal opgroeien bij de pleegouders. Het zwaarwegende belang van de minderjarige bij continuïteit van haar opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces dient naar het oordeel van het hof te prevaleren boven het emotionele belang van de moeder om het gezag over haar te behouden. Het Hof bekrachtigt dan ook de beschikking van de rechtbank.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4933