Main content

Jurisprudentie
Rechtbank Den Haag
16/08/2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:9618

Uit het – inmiddels door echtscheiding ontbonden – huwelijk tussen een man en vrouw is een zoon geboren. Toen de jongen zestien maanden oud was, is de vrouw door de politie aangehouden wegens een drugsdelict en is sindsdien niet bij de verzorging van de jongen betrokken. De jongen heeft meerdere keren bij de ouders van de vader gewoond. De relatie tussen vader en grootouders is verslechterd en zelfs deels verbroken. De grootouders verzoeken de rechtbank een omgangsregeling tussen hen en de jongen vast te stellen. De rechtbank verklaart de grootouders ontvankelijk in hun verzoek.

Tot zijn zesde levensjaar heeft de jongen geregeld vakanties en weekenden bij de grootouders doorgebracht. Daarna is de relatie tussen de vader en de grootouders verslechterd en zelfs enige tijd geheel verbroken geweest. In de kerstvakantie van 2015 is de jongen een aantal malen, buiten medeweten van zijn vader, bij de grootouders op bezoek geweest. De grootouders verzoeken de rechtbank een omgangsregeling tussen hen en de jongen vast te stellen. Volgens hen is er sprake van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377a lid 1 BW. De ouders van de kinderen  betwisten dit. Volgens hen hebben de contacten qua frequentie en vorm niet méér omvat dan het normale contact dat tussen grootouders en kleinkinderen bestaat.

Onder verwijzing naar de conclusie van de A-G bij HR 29 maart 2002 en de daarin aangehaalde uitspraken van het EHRM, overweegt de rechtbank dat in dit geval aan de eisen van ‘family life’ niet zonder meer kan worden vertaald met ‘gezinsleven’. Naar het oordeel van de rechtbank is de band tussen kinderen en hun grootouders van een eigen en bijzondere aard, juist bij ‘normaal’ contact tussen hen, omdat dat contact niet wordt belast door verplichtingen van opvoedkundige aard. Voor een nauwe persoonlijke betrekking tussen grootouders en kleinkinderen is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet meer nodig dan geregeld en wederzijds als plezierig ervaren contact. De rechtbank stelt vast dat tussen de jongen en zijn grootouders, zij het met een aantal lange onderbrekingen, sprake is geweest van dergelijk geregeld en plezierig contact. Uit EHRM 20 januari 2015 (Manuello/Nevi vs. Italy) volgt dat ook een heel lange onderbreking van het contact niet behoeft af te doen aan het bestaan van family life. In dit geval is dat ook niet aan de orde; uit Facebookberichten tussen de jongen en zijn grootouders blijkt dat er ook op dit moment nog een liefdevolle band tussen hen bestaat. De rechtbank verklaart de grootouders dan ook ontvankelijk in hun verzoek. Het voorgaande neemt volgens de rechtbank evenwel niet weg dat omgang tussen grootouders en een kleinkind onder omstandigheden niet in het belang van het kind kan zijn, in het bijzonder als er geen goede relaties meer bestaan tussen grootouders en hun kind, zoals in deze zaak het geval is. De rechtbank acht zich hierover onvoldoende geïnformeerd en verzoekt de Raad te onderzoeken of er sprake is van bezwaren als genoemd in artikel 1:377a lid 3 BW, die in de weg staan aan het recht dat de jongen en de grootouders omgang hebben met elkaar.

Rechtbank Den Haag, 16 augustus 2016 ECLI:NL:RBDHA:2016:9618