Verdragstekst
De Staten die partij zijn, erkennen het recht van een kind dat door de bevoegde autoriteiten uit huis is geplaatst ter verzorging, bescherming of behandeling in verband met zijn of haar lichamelijke of geestelijke gezondheid, op een periodieke evaluatie van de behandeling die het kind krijgt en van alle andere omstandigheden die verband houden met zijn of haar plaatsing.

Kern
Er moet periodiek geëvalueerd worden of het in het belang is van een kind dat uit huis is geplaatst, om teruggeplaatst te worden.

Toelichting
Als er in een gezin zulke ernstig opvoedingsproblemen zijn dat de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd of geschaad, dan kan de rechter een kind onder toezicht stellen. Het kind en het gezin krijgen dan hulp van een gezinsvoogd. Als het voor de verzorging en opvoeding noodzakelijk blijkt, kan de rechter ook besluiten een kind uit huis te plaatsen in een pleeggezin of soms in een instelling. In het Kinderrechtenverdrag staat dat kinderen recht hebben op gezinsleven, daarom moet er bij een uithuisplaatsing altijd eerst worden gekeken of het kind in een pleeggezin terecht kan. Ook hebben kinderen recht op continuïteit en stabiliteit in de verzorging en opvoeding. Ze mogen dus niet steeds ergens anders geplaatst worden.
Een kind dat uit huis is geplaatst, heeft recht op een regelmatige evaluatie van zijn of haar behandeling en uithuisplaatsing. Dat betekent dat er regelmatig gekeken moet worden of de uithuisplaatsing nog nodig is, of dat het kind wellicht teruggeplaatst kan worden. Tijdens de uithuisplaatsing heeft het kind het recht om contact te hebben met zijn of haar ouders, tenzij dat schadelijk is voor het kind. De maximale duur van een uithuisplaatsing is één jaar. Als de gezinsvoogd vindt dat de uithuisplaatsing daarna verlengd moet worden, moet de rechter daar opnieuw toestemming voor geven.

Meer informatie: