Verdragstekst
Lid 1 De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.

Lid 2 In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.

Lid 3 De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.

Lid 4 Indien een dergelijke scheiding voortvloeit uit een maatregel genomen door een Staat die partij is, zoals de inhechtenisneming, gevangenneming, verbanning, deportatie, of uit een maatregel het overlijden ten gevolge hebbend (met inbegrip van overlijden, door welke oorzaak ook, terwijl de betrokkene door de Staat in bewaring wordt gehouden) van één ouder of beide ouders of van het kind, verstrekt die Staat, op verzoek, aan de ouders, aan het kind of, indien van toepassing, aan een ander familielid van het kind de noodzakelijke inlichtingen over waar het afwezige lid van het gezin zich bevindt of waar de afwezige leden van het gezin zich bevinden, tenzij het verstrekken van die inlichtingen het welzijn van het kind zou schaden. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijk verzoek op zich geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene(n).

Kern
Kinderen en ouders mogen niet van elkaar worden gescheiden, tenzij een scheiding in het belang is van het kind en volgens de vastgestelde procedures gebeurt. Kinderen en ouders moeten in zulke procedures hun standpunt kunnen geven. Wanneer kinderen en ouders toch van elkaar gescheiden worden hebben zij in ieder geval recht op regelmatig contact, tenzij ook dit niet in het belang is van het kind.

Toelichting
In Nederland krijgen veel kinderen te maken met ouders die besluiten om uit elkaar te gaan. Ze kunnen dan bij een van de ouders wonen en de andere ouder op afgesproken tijden zien, of bij beide ouders de helft van de tijd wonen. Ouders beslissen bij wie de kinderen gaan wonen, maar de mening van de kinderen is hierbij wel heel belangrijk. Als ouders het niet eens worden, dan beslist de rechter. De rechter vraagt daarbij ook naar de mening van de kinderen. Volgens het Kinderrechtenverdrag maakt het hiervoor niet uit hoe oud het kind is. In Nederland is het zo geregeld dat als een kind 12 jaar of ouder is, de rechter verplicht is om de mening van het kind mee te wegen in zijn beslissing. Voor kinderen onder de twaalf is dit volgens de Nederlandse wet niet verplicht maar kan het wel. De rechter bekijkt dan of het kind goed genoeg begrijpt wat er aan de hand is. Een kind kan niet verplicht worden om zijn mening te geven.

Kinderen kunnen ook om andere redenen worden gescheiden van een of beide ouders. Bijvoorbeeld omdat het kind in een pleeggezin is geplaatst, een ouder of het kind in het ziekenhuis verblijft, in de gevangenis zit of de ouder het land wordt uitgestuurd omdat hij of zij geen verblijfsvergunning krijgt. In al die gevallen hebben kinderen het recht op contact met beide ouders, tenzij dat schadelijk is voor het kind. Bovendien is de overheid verplicht om – bijvoorbeeld als een ouder gevangen genomen wordt of het land uitgezet wordt – de kinderen in te lichten over waar de ouders zich bevinden, tenzij het verstrekken van deze informatie schadelijk is voor het kind.

Meer informatie: