23 november 2011

De Nederlandse overheid moet het voorkomen van kindermishandeling steviger aanpakken. Dat vinden de leden van het Kinderrechtencollectief. In elke gemiddelde schoolklas zit één kind dat mishandeld, misbruikt of verwaarloosd wordt en het aantal kinderen dat met mishandeling te maken krijgt stijgt. Spraken onderzoekers in 2007 nog over 107.000 kinderen die jaarlijks mishandeld werden, in 2011 gaat het om ruim 118.000 kinderen; een stijging van zo’n 10%.

Het Kinderrechtencollectief heeft op 23 november de Kinderombudsman het rapport ‘De aanpak van kindermishandeling in Nederland: Knelpunten en Aanbevelingen’ aangeboden. De leden van het collectief zijn: Augeo Foundation, Bernard van Leer Foundation, Chronisch zieken en Gehandicapten Raad, Defence for Children, Jantje Beton, NJR (Nationale Jeugdraad), Stichting Kinderpostzegels Nederland, Terre des Hommes en UNICEF Nederland.

Naast ‘De aanpak van kindermishandeling in Nederland: Knelpunten en Aanbevelingen’ van het Kinderrechtencollectief, nam de Kinderombudsman ook ‘Vóór Veilig en Veilig Verder’ in ontvangst. Dit is een rapport van het Nederlands Jeugdinstituut, de Bernard van Leer Foundation, MOVISIE, Augeo Foundation, Raak en het Landelijk Programma Huiselijk Geweld en de Politietaak.

In totaal heeft de Kinderombudsman ruim 30 maatschappelijke organisaties gevraagd de handen ineen te slaan om een impuls te geven aan de aanpak van kindermishandeling.

De Kinderombudsman deelt de zorgen van het Kinderrechtencollectief en stuurde 23 november een brandbrief naar de overheid, waarin hij oproept verantwoordelijkheid te nemen voor de aanpak van kindermishandeling in al zijn facetten . De aanpak moet integraal en rijksbreed zijn en alle ministeries moeten een aandeel leveren.
 
Met mishandeling bedreigde kinderen vormen een zodanig kwetsbare groep, dat in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (VN-Kinderrechtenverdrag) primaire verantwoordelijkheid is vastgelegd voor de overheid om zowel geweld te voorkomen als zorg te dragen voor passende hulpverlening nadat geweld heeft plaatsgevonden. Het Kinderrechtencollectief en de Kinderombudsman vinden dat:
– melden alleen is onvoldoende; er is meer aandacht nodig voor preventie,
– er een beter behandelaanbod nodig is,
– de aanpak van kindermishandeling gericht moet zijn op specifieke doelgroepen.

Het Kinderrechtencollectief voorziet dat wanneer niet steviger wordt ingezet op preventie, de cijfers bij de introductie van de Wet Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling verder stijgen. Professionals worden met deze wet immers (terecht) aangemoedigd kindermishandeling vroegtijdiger te signaleren. Op dit moment kent bovendien de zorg aan mishandelde kinderen en hun ouders nog grote knelpunten. Bij uitblijvende goede zorg voor mishandelde kinderen en hun ouders, raken signalerende professionals ontmoedigd en wordt het meldcode- beleid contraproductief. Het huidige beleid, dat zo sterk inzet op het signaleren en melden van kindermishandeling, moet dan ook gepaard gaan met verbeteringen in het preventieve beleid én met een beduidend betere zorg voor de mishandelde kinderen en de ouders die in het vizier zijn gekomen.

Bij de ruim 118.000 kinderen waarvan we weten dat ze mishandeld worden, gaat het niet over een uitgeschoten ‘pedagogische tik’; de getallen vertegenwoordigen kinderen waarvan professionals als leerkrachten, politieagenten en medewerkers van Advies- en Meldpunten Kindermishandeling stevig onderbouwde zorgen hebben. Hun zorgen doorstonden de toets van een team van deskundigen aan de hand van wettelijke en wetenschappelijke definities van kindermishandeling. Dat het over meer gaat dan een tik, blijkt ook uit het feit dat volgens de onderzoekers bij ongeveer tweederde van deze kinderen sprake is van aanwijsbare schade. Zo’n 80.000 kinderen hebben zichtbare letsels, leerstoornissen of ontwikkelingsachterstanden die gerelateerd lijken te zijn aan de onveilige omgeving waarin zij opgroeien.

De Kinderombudsman schrijft in zijn brief: “Dit zijn wat mij betreft verontrustende en maatschappelijk onaanvaardbare cijfers, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat kindermishandeling in Nederland een zeer ernstig en hardnekkig probleem is. We mogen ons er niet bij neerleggen dat er kinderen in Nederland mishandeld worden, laat staan zoveel.” Immers:
“No violence against children is justifiable, all violence against children is preventable”!
 

AANBEVELING 1: Zorg dat alle verloskundigen systematisch screenen op risico’s voor kindermishandeling. Zorg dat verloskundigen en jeugdartsen beschikken over effectieve risicotaxatie- en signaleringsinstrumenten gericht op de fysieke veiligheid van baby’s en jonge kinderen.

AANBEVELING 2: Stel eisen aan de capaciteit en kwaliteit van opvoedondersteunende programma’s die de lokale Centra voor Jeugd en Gezin organiseren voor kinderen en gezinnen in risicosituaties. Garandeer hiermee dat er voor deze kinderen en gezinnen, onafhankelijk van hun woonplaats, een reeks van lichte tot zwaardere vormen van (evidence-based) opvoedprogramma’s beschikbaar is waarmee kindermishandeling kan worden voorkomen.

AANBEVELING 3: Realiseer dat alle ouders van pasgeborenen worden voorgelicht over het huilgedrag van baby’s en het Shaken Baby Syndroom.

AANBEVELING 4: Stel een implementatieplan op voor het wettelijke verbod op geweld in de opvoeding. Ontwikkel voorlichtingsmaterialen die ook allochtone doelgroepen en lager opgeleiden bereiken.

AANBEVELING 5: Het Ministerie van VWS moet zijn rol oppakken in de bestrijding van kinderpornografie in samenwerking met het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Voeg het digitale perspectief toe aan alle programma’s voor preventie en signalering van en hulpverlening bij seksueel geweld tegen kinderen. Ontwikkel hulpverlening voor kinderen met betrekking tot de korte en lange termijn gevolgen van het maken van beeldmateriaal van seksueel misbruik.

AANBEVELING 6: Stuur nadrukkelijk op uniforme kwaliteit in de advies- en onderzoeksfunctie van het AMK, bijvoorbeeld door certificering. Voorkom nog meer diversiteit in de manier waarop de uitvoering van AMK-taken wordt georganiseerd. Monitor het effect van organisatorische diversiteit op de effectiviteit en kwaliteit van de advies- en meldfunctie.

AANBEVELING 7: Zorg dat professionals bij de Raad voor de Kinderbescherming en het AMK zich niet te afhankelijk opstellen van de medewerking van ouders en kunnen beschikken over alle relevante informatie. Verbeter hiertoe de informatie-uitwisseling tussen het AMK, de Raad voor de Kinderbescherming en de Gezinsvoogdij met beroepsgroepen in vooral de (geestelijke) gezondheidszorg voor volwassenen. Organiseer daarvoor toezicht op de implementatie van de nieuwe GGZ-meldcode en/of breid de komende wettelijke spreekplicht van GGZ-professionals jegens gezinsvoogden uit naar onderzoekers van het AMK en de Raad voor de Kinderbescherming.

AANBEVELING 8: Zorg dat het AMK en de Raad voor de Kinderbescherming voor letselduiding een forensisch arts pediatrie kunnen inschakelen, juist wanneer er nog geen strafrechtelijke aanpak is. Ontwikkel een Diagnose Behandeling Combinatie voor het onafhankelijke, forensisch-pediatrisch onderzoek en geef in de tussentijd zorgverzekeraars een richtlijn voor de inkoop van zorg.

AANBEVELING 9: Doe onderzoek naar de uitkomsten van de interventies die het AMK, Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming namens de overheid uitvoeren, waarbij de veiligheid van kinderen de belangrijkste uitkomstmaat is. Stimuleer doorontwikkeling van het instrumentarium om in elke fase gestructureerd te beslissen en rust jeugdbeschermingsmedewerkers hiervoor voortdurend toe. Zie
toe dat er geen regionale verschillen bestaan in de (kwaliteit van de) besluitvorming bij het AMK, Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming.

AANBEVELING 10: Organiseer dat tenminste de 22.661 kinderen waarbij het AMK mishandeling vaststelt, binnen een overeengekomen korte periode een volledig assessment krijgen conform de standaarden van de Gezondheidsraad. De kinderen moeten met een zo beperkt mogelijk aantal onderzoekers te maken krijgen en onder meer systematisch lichamelijk en psychologisch worden onderzocht. Hetzelfde geldt voor de kinderen bij wie de Raad voor de Kinderbescherming mishandeling constateert. Ondersteun hiervoor de vorming van meer multidisciplinaire teams zoals in Friesland en Haarlem, conform het advies van de Gezondheidsraad.

AANBEVELING 11: Zorg dat in gezinnen waar veiligheidsproblematiek speelt, hulp wordt geboden die zich specifiek richt op de gevolgen van onveiligheid en het realiseren van veiligheid. Stimuleer daarvoor een landelijke implementatie van een veiligheidsaanpak binnen de verschillende afdelingen van Bureau Jeugdzorg, bij zorgaanbieders die samenwerken met de gezinsvoogdij en bij professionals werkend in het lokale veld. Het familie- en vriendennetwerk moet nadrukkelijk de kans krijgen een eigen veiligheidsplan te ontwikkelen, ook als nog geen onder toezichtstelling dreigt.

AANBEVELING 12: Benut de stelselwijzigingen in de jeugdzorg om te komen tot een efficiënter en effectiever jeugdbeschermingssysteem. Onderzoek of de functies advies, melding, onderzoek, verzoeken tot Raadonderzoek en uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, kunnen worden ondergebracht in minder organisaties. Ondersteun ook de vorming van meer multidisciplinaire teams zoals in Friesland en Haarlem, conform het advies van de Gezondheidsraad.

AANBEVELING 13: Zorg voor een landelijke dekking van het beschikbare evidence-based therapeutische aanbod. Garandeer dat in elke jeugdzorgregio tenminste de door de Gezondheidsraad aanbevolen therapieën (TF-CBT en EMDR en PCIT) beschikbaar zijn voor een afgesproken percentage van het te verwachten aantal mishandelde kinderen. Stel hiertoe (kwaliteits)eisen aan het zorgaanbod dat gemeenten gaan realiseren.

AANBEVELING 14: Organiseer dat tenminste alle 22.661 kinderen bij wie het AMK mishandeling vaststelt, psycho-educatie ontvangen, conform het advies van de Gezondheidsraad. Hetzelfde geldt voor de kinderen bij wie de Raad voor de Kinderbescherming mishandeling constateert. Stel hiertoe (kwaliteits)eisen aan het zorgaanbod dat gemeenten gaan realiseren.

AANBEVELING 15: Garandeer een caseload van 15 kinderen per gezinsvoogd met een daarbij passende financiering, zodat gezinsvoogden toezicht kunnen houden op de veiligheid en ontwikkeling van kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel.  

AANBEVELING 16: Maak landelijke afspraken over (geoormerkte) financiering van de ondersteuning voor kinderen van ouders met psychische problemen en/of verslaving.

AANBEVELING 17: Zorg dat de nieuwe Wet Meldcode ook van toepassing is op COA-medewerkers in asielzoekerscentra en zie toe dat de Wet hier goed wordt geïmplementeerd.

AANBEVELING 18: Betrek de gehandicaptensector in het vervolg op het Actieplan Aanpak Kindermishandeling. Formuleer met deze sector kwaliteitseisen waaraan het preventie-, signalerings- en behandelingsbeleid ten aanzien van kindermishandeling moet voldoen. Voer verscherpt inspectietoezicht uit op zowel de implementatie van de Wet Meldcode in de gehandicaptensector als op de implementatie van preventiebeleid.

AANBEVELING 19: Zorg dat alle instellingen in de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen, de verslavingszorg en het onderwijs beschikken over een actuele Meldcode Kindermishandeling en dat minimaal 75% van het personeel wordt (na)geschoold over deze meldcode. Benut hierbij de ervaringen die zijn opgedaan met het toezichthoudend Kader van de Inspectie voor Gezondheidszorg bij Huisartsenposten en SEH-posten. Organiseer verscherpt toezicht op de implementatie van de Wet Meldcode in het primair en secundair onderwijs.

AANBEVELING 20: Maak bindende afspraken met tenminste de beroepsopleidingen voor leerkracht, kinderopvang medewerker en basisarts over (verplichte) aandacht voor kindermishandeling in de onderwijs-curricula.

Klik hier voor een samenvatting van het rapport
Klik hier voor het gehele rapport
Klik hier voor de brief waarin het rapport aangeboden wordt aan de Kinderombudsman