© Powered by SiteSpirit

 
logo.png



Schending recht op privé-leven, artikel 8 EVRM: Rb. 's-Gravenhage zp Utrecht 2 mei 2006, LJN AW7510

...

Een Guinese jongen (eiser) heeft van 29 mei 2001 tot 1 juli 2003 – de dag dat hij achttien werd - een verblijfsvergunning gehad onder de beperking 'verblijf als minderjarige vreemdeling' (AMV). De jongen vraagt daarna een verblijfsvergunning aan met als doel 'voortgezet verblijf'. De Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie (verweerder) wijst de aanvraag af omdat eiser korter dan drie jaar een verblijfsvergunning als AMV heeft gehad (artikel 3.51, 1e lid, onder c, Vb 2000). De jongen beroept zich op artikel 8 EVRM, waarin het recht op privé-leven is gewaarborgd. Hij is na twee jaar ingeburgerd in de Nederlandse samenleving en heeft geen band meer met Guinee. Verweerder stelt dat een beroep op artikel 8 EVRM op voorhand faalt omdat de verblijfsvergunning van eiser nooit gericht is geweest op permanent verblijf in Nederland. De rechtbank is 'echter geen rechtsregel bekend die het recht op privé-leven in het licht van artikel 8 EVRM, tijdens rechtmatig verblijf op deze wijze inperkt' en verklaart het beroep gegrond vanwege schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb).

Bron: JV 06/97
Rb. 's-Gravenhage zp Utrecht 2 mei 2006, LJN AW7510
www.rechtspraak.nl

Actualisering Handbank Internationaal Jeugdrecht p. 437.
Hoofdstuk 3 Kinderrechten en vreemdelingenrecht
3.3.4. Relevante verdragen van de Raad van Europa voor minderjarige vreemdelingen
A. EVRM
Nederlandse jurisprudentie
Code: 3-8-06-14