Het recht om gehoord te worden staat ook wel bekend als het recht op participatie. Participatie is op te vatten als een voortdurend proces van het uitwisselen van informatie. Dit proces van informatie-uitwisseling staat aan de basis van een dialoog tussen kinderen en volwassenen. Alle landen die het Kinderrechtenverdrag hebben ondertekend dienen ervoor te zorgen dat de kinderen in dat land hun recht om gehoord te worden, en dus hun recht om hun mening te geven en te participeren in zaken die hen aangaan, kunnen uitoefenen. Hierbij dient het uitgangspunt te zijn dat elk kind in beginsel in staat gesteld wordt om te participeren en zich een weloverwogen mening te vormen.

Er bestaat een belangrijk verband tussen het recht om gehoord te worden uit artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag en artikel 3 waarin staat dat bij alle beslissingen die over kinderen worden genomen, het belang van het kind een eerste overweging moet zijn. Dit verband bestaat erin dat dat zonder het kind te horen of zonder naar de mening en visie van het kind te luisteren, het moeilijk – zo niet onmogelijk – is om een goed beeld te krijgen van wat het belang van het kind het beste dient. Het Comité beschrijft in dit General Comment ook de betekenis van het recht om gehoord te worden voor kinderen in  specifieke situaties en op verschillende leefgebieden, zoals binnen de familie, in pleeggezinnen of gezinsvervangende tehuizen, in de gezondheidszorg en in situaties waarbij kinderen te maken hebben met geweld of mishandeling.

Kijk hier voor de tekst van General Comment nr. 12.