Main content

Bij de ratificatie van het Kinderrechtenverdrag heeft Nederland drie voorbehouden gemaakt:

Artikel 26: sociale zekerheid van kinderen

‘Het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt het bepaalde in artikel 26 van het Verdrag, onder het voorbehoud dat deze bepaling niet verplicht tot een zelfstandig recht van kinderen op sociale zekerheid, daarbij inbegrepen sociale verzekering.’

Dit voorbehoud houdt in dat Nederland aan kinderen geen zelfstandig recht op sociale verzekeringen wil toekennen.

Artikel 37: toepassing van volwassenenstrafrecht op 16- en 17-jarigen

‘Het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt het bepaalde in artikel 37, onder c, van het Verdrag, onder voorbehoud dat deze bepaling niet belet dat op kinderen in de leeftijd van zestien jaar of ouder het volwassenenstrafrecht kan worden toegepast, indien aan in de wet te bepalen criteria is voldaan, en dat een kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, niet altijd van volwassenen gescheiden kan worden gehouden, gelet op het feit dat bij onverwachte pieken in het aanbod van te detineren kinderen zich de mogelijkheid kan voordoen dat (tijdelijke) detineren van kinderen gezamenlijk met volwassenen onvermijdelijk is.’

Dit voorbehoud houdt in dat Nederland het volwassenenstrafrecht wil kunnen blijven toepassen op kinderen van 16 en 17 jaar. En dat Nederland niet kan garanderen dat jeugdige gedetineerden altijd apart van volwassenen in een jeugdgevangenis geplaatst zullen worden.

Artikel 40: beperking van rechtshulp en van hoger beroep

‘Het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt het bepaalde in artikel 40 van het Verdrag, onder voorbehoud dat in gevallen van delicten van lichte aard de berechting plaats kan vinden buiten aanwezigheid van een raadsman en dat voor die delicten gehandhaafd blijft dat niet in alle gevallen is voorzien in de mogelijkheid van een nieuwe beoordeling van de feiten en enige dientengevolge opgelegde maatregel.’

Dit voorbehoud houdt in dat Nederland lichte delicten van kinderen wil kunnen afdoen zonder raadsman (advocaat) en zonder mogelijkheid tot hoger beroep.