Jurisprudentie
Rechtbank Den Haag
08/07/2016
AWB 15/8670

Een driejarige jongen heeft te kampen met zeer ernstige medische en psychische problematiek, waaronder een aangeboren nierafwijking. Gelet op zijn problematiek en zijn leeftijd is hij afhankelijk van de mantelzorg van zijn moeder. De rechtbank oordeelt naar aanleiding van een beroep op de bepalingen uit het VN-Kinderrechtenverdrag dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind. Inmiddels heeft de staatssecretaris hen uitstel van vertrek verleend.

De moeder van de van de jongen heeft eveneens psychische problematiek als gevolg van haar verleden van mensenhandel. Zij is daarom niet in staat om de volledige zorg over haar zoontje te dragen, hij dient zes keer per dag te worden gekatheteriseerd vanwege zijn nierafwijking. Het verzoek om uitstel voor vertrek werd herhaaldelijk afgewezen. In beroep zijn stukken van behandelaars ingebracht en is betoogd dat uitzetting van de jongen in strijd is met artikel 3, 6 en 23 van het VN-Kinderrechtenverdrag.

De rechtbank oordeelt dat de aangeleverde stukken van de behandelaars voldoende aanknopingspunten leveren om te concluderen dat de staatssecretaris zich onvoldoende heeft verdiept in de bevindingen uit het vijfde BMA-advies, die zorgvuldig en inzichtelijk zijn. De rechtbank oordeelt naar aanleiding van het beroep op de bepalingen uit het VN-Kinderrechtenverdrag bovendien dat de staatssecretaris zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind. Het beroep van de driejarige jongen en zijn moeder wordt gegrond verklaard. Inmiddels heeft de staatssecretaris hen uitstel van vertrek verleend.

Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag, d.d. 8 juli 2016, AWB 15/8670.