Veerle Pieters werkt als directeur-bestuurder voor Young Perspectives (YOPE), de organisatie die zich inzet voor jongeren tijdens en na hun verblijf in de gesloten en forensische jeugdzorg. Ze gelooft onvoorwaardelijk dat deze jongeren meer zijn dan hun delict en zet zich daar met hart en ziel voor in, ook als dat betekent dat ze tegen bureaucratie en vooroordelen moet ingaan. Al zo’n twee jaar is YOPE partner van het Kinderrechtencollectief. Over jongeren die meer zijn dan hun delict, een VOG die alles veranderde en het recht om te puberen.
‘Ik was vrijwillig mentor voor een jongere in De Hartelborgt, een justitiële jeugdinrichting in Spijkenisse en zag hoe bijzonder het is als een organisatie de wereld van buiten en binnen weet te verbinden. Daarna werd ik beleidsadviseur preventief jeugdbeleid, maar dat begon te schuren. Er werd vooral gesproken over het voorkomen dat ze daar terechtkomen. Maar wat doen we eigenlijk als ze daar wél al zitten? Bij YOPE gaan we daar creatief mee om. Dat laat zich inderdaad niet zomaar vastleggen en heeft zoveel verschillende vormen. Maar ik geloof echt in de kracht ervan: soms is juist een perspectief nodig om bepaalde grenzen te doorbreken.’
Meer dan een delict
‘We werken met jongeren in en na jeugddetentie en geven daarnaast workshops in de gesloten jeugdzorg. Ik denk dat we allemaal dezelfde drive hebben: we zien dat deze jongeren veel meer zijn dan alleen hun delict en dat ze niet voor niets terecht zijn gekomen waar ze zijn. Het zijn mensen die een goed netwerk en goede vaardigheden verdienen. We hebben veel respect en liefde voor de hulpverlening om hen heen, maar er is iets anders nodig: mensen die zonder oordeel naar binnen gaan, die met een creatieve blik naar de problemen kijken en geloven dat het anders kan als je je ook anders opstelt naar die jongeren.’
Kinderrechten achter gesloten deuren
‘Veel mensen, en de jongeren zelf vaak ook, geloven dat je je rechten verliest zodra je iets fout hebt gedaan. Dat is natuurlijk niet waar en gelukkig zien de mensen die in de justitiële jeugdinrichtingen werken dat ook zo. Er wordt echt hard gestreefd naar het naleven van die rechten. Maar het is moeilijk: je bent enerzijds aan het ondersteunen en begeleiden en anderzijds ben je echt aan het straffen. Er is een stuk vergelding. Een jongere verliest zeggenschap over je eigen leven en na een periode van geslotenheid sta je er vaak slechter voor. Niet per se door wat er binnen gebeurt, maar door het stigma, doordat je bepaalde vaardigheden niet hebt kunnen ontwikkelen en opnieuw moet beginnen met je netwerk. Dat is precies waar kinderrechten onder druk komen te staan. De belangrijkste les die we aan professionals meegeven, is dat er altijd een groter verhaal is. Er zit een mens achter, met een eigen visie op de wereld en een verhaal waar hij vandaan komt. Hoe je hem aankijkt, hoe je hem begroet, hoe je hem behandelt, dat heeft effect. Dat vergeten mensen soms.’
Een paspoort naar een nieuw begin
‘Ik denk dat het Kinderrechtencollectief heel goed onder woorden brengt wat wij zien gebeuren en waar we tegenaan lopen in ons werk met deze jongeren. Tegelijkertijd is het een prachtig netwerk. Een jonge vrouwelijke expert (een ervaringsdeskundige jongere) van ons heeft meerdere keren deelgenomen aan bijeenkomsten van het Kinderrechtencollectief en kon heel concreet onder woorden brengen waar ze tegenaan liep: het moeizame traject om een verklaring omtrent gedrag te krijgen. Ze had haar straf allang uitgezeten, maar kreeg geen VOG. Ze is via het netwerk in contact gekomen met juristen en strafrechtadvocaten die haar hebben geholpen. Inmiddels heeft ze haar VOG. Voor haar een bevestiging dat ze erbij mag horen.’
Het recht om te puberen
‘Ik vind dat jongeren in geslotenheid het recht moeten krijgen om te puberen. Die periode dat ze binnen zitten, is precies de periode dat je moet experimenteren, fouten moet kunnen maken om weer op te staan en door te gaan. In geslotenheid zijn de gevolgen van zo’n fout meteen groot. Hier moet meer ruimte voor zijn, niet alleen binnen, maar ook buiten de muren. Daar hoop ik dat het partnerschap met het Kinderrechtencollectief aan blijft bijdragen: het netwerk, het leren van andere organisaties, de toolbox om te verwoorden waar deze jongeren tegenaan lopen. Ik waardeer enorm dat er binnen het collectief aandacht is voor deze groep, terwijl het een selecte groep is waar kinderrechten juist sterk onder druk staan. Ze verdienen de ruimte om gehoord te worden, ook nadat de deur weer open is gegaan.’



