Verdragstekst
Lid 1 De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.

Lid 2 Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.

Kern
Ieder kind heeft het recht zijn mening te geven over zaken die hem aangaan. Die mening moet serieus genomen worden.

Toelichting
Kinderen hebben het recht om hun mening te geven over beslissingen die hen aangaan. Daarom moet het mogelijk zijn voor kinderen en jongeren om inspraak en invloed te hebben, mee te praten, mee te denken en mee te doen. Thuis, op school en in de wijk. Maar ook in een juridische procedure als die er is. Hierbij is leeftijd niet per se bepalend. Het uitgangspunt van het verdrag is dat elk kind in staat is zijn of haar mening te uiten. Binnen de context van artikel 12 vormt de capaciteit van het kind om zijn mening op een ‘redelijke en onafhankelijke’ manier kenbaar te maken het criterium voor de beoordeling welke waarde aan de mening kan worden toegekend. De impact die de zaak op het kind kan hebben moet hierbij worden meegewogen: hoe groter de impact van de uitkomsten op het leven van het kind, des te belangrijker het is dat passend gewicht wordt gehecht aan de mening van het kind. Daarom moet per geval (en per kind) de waarde die kan worden gehecht aan de mening van het kind worden beoordeeld.

Kijk hier voor een uitleg over General Comment nr. 12 over het recht om gehoord te worden.

Meer informatie: