Main content

Verdragstekst

Lid 1. De Staten die partij zijn, erkennen dat een geestelijk of lichamelijk gehandicapt kind een volwaardig en behoorlijk leven dient te hebben, in omstandigheden die de waardigheid van het kind verzekeren, zijn zelfstandigheid bevorderen en zijn actieve deelneming aan het gemeenschapsleven vergemakkelijken.

Lid 2. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het gehandicapte kind op bijzondere zorg, en stimuleren en waarborgen dat aan het daarvoor in aanmerking komende kind en degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar verzorging, afhankelijk van de beschikbare middelen, de bijstand wordt verleend die is aangevraagd en die passend is gezien de gesteldheid van het kind en de omstandigheden van de ouders of anderen die voor het kind zorgen.

Lid 3. Onder erkenning van de bijzondere behoeften van het gehandicapte kind, dient de in overeenstemming met het tweede lid geboden bijstand, wanneer mogelijk, gratis te worden verleend, rekening houdend met de financiële middelen van de ouders of anderen die voor het kind zorgen. Deze bijstand dient erop gericht te zijn te waarborgen dat het gehandicapte kind daadwerkelijk toegang heeft tot onderwijs, opleiding, voorzieningen voor gezondheidszorg en revalidatie, voorbereiding voor een beroep, en recreatiemogelijkheden, op een wijze die ertoe bijdraagt dat het kind een zo volledig mogelijke integratie in de maatschappij en persoonlijke ontwikkeling bereikt, met inbegrip van zijn of haar culturele en intellectuele ontwikkeling.

Lid 4. De Staten die partij zijn, bevorderen, in de geest van internationale samenwerking, de uitwisseling van passende informatie op het gebied van preventieve gezondheidszorg en van medische en psychologische behandeling van, en behandeling van functionele stoornissen bij, gehandicapte kinderen, met inbegrip van de verspreiding van en de toegang tot informatie betreffende revalidatiemethoden, onderwijs en beroepsopleidingen, met als doel de Staten die partij zijn, in staat te stellen hun vermogens en vaardigheden te verbeteren en hun ervaring op deze gebieden te verruimen. Wat dit betreft wordt in het bijzonder rekening gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden.

 

Kern

Kinderen met een handicap moeten een volwaardig en behoorlijk leven kunnen leiden. Een leven dat hun waardigheid verzekert en daarnaast hun zelfstandigheid en deelneming aan de maatschappij bevordert. Een gehandicapt kind heeft recht op bijzondere zorg van de overheid.

 

Toelichting

Een kind dat een verstandelijke of lichamelijke handicap heeft, heeft recht op bijzondere zorg. De overheid waarborgt het recht van een gehandicapt kind op een waardig en zo zelfstandig mogelijk leven. Kinderen met een handicap moeten daarom zoveel mogelijk naar gewone scholen kunnen gaan en zoveel mogelijk thuis kunnen wonen. Ouders moeten daarbij ondersteuning krijgen vanuit de overheid. Bijvoorbeeld door het zorgen voor voldoende zorgaanbod en financiële middelen. De overheid zorgt ook dat een gehandicapt kind actief kan deelnemen aan de maatschappij. Bovendien zorgt de overheid voor bijstand om de toegang tot onderwijs, recreatie en gezondheidszorg te verzekeren.

Kortom, kinderen met een handicap moeten zoveel mogelijk gebruik kunnen maken van de algemene voorzieningen die er voor alle kinderen zijn. En als het nodig is, moeten ze gebruik kunnen maken van speciale voorzieningen voor onderwijs, opleiding, gezondheidszorg, revalidatie, dagbesteding of – indien het kind niet thuis kan wonen – een gezinsvervangend tehuis. Kinderen met een handicap zijn soms extra kwetsbaar voor misbruik, mishandeling of verwaarlozing. Zij zijn minder goed in staat om voor zichzelf op te komen en vallen eerder ten prooi aan misleiding, manipulatie of machtsmisbruik. Daarom ook is extra bescherming nodig. De overheid dient voldoende preventieve maatregelen te nemen om kinderen met een handicap te beschermen.

In algemene zin dient de overheid alles in het werk te stellen om kinderen met een handicap te helpen zo volledig mogelijk te kunnen deelnemen aan- en integreren in de maatschappij. Alle rechten uit het kinderrechtenverdrag gelden onverkort ook voor alle kinderen met een handicap.

 

Verdrag voor Personen met een Handicap

Er bestaat ook een speciaal Verdrag voor Personen met een Handicap. Dat is ook een verdrag van de Verenigde Naties. Nederland is daar sinds op 14 juli 2016 partij bij. Kijk hier voor de tekst van dit verdrag.

Klik hier voor een uitleg over General Comment nr. 9 over kinderen met een beperking.

 

Meer informatie:

Alle rechten:

Artikel 1: Definitie ‘kind’

Artikel 2: Geen discriminatie

Artikel 3: Belang van het kind

Artikel 4: Realiseren van kinderrechten

Artikel 5: De rol van ouders bij ontwikkeling kind

Artikel 6: Leven en ontwikkeling

Artikel 7: Naam, nationaliteit en geboorteregistratie

Artikel 8: Eerbiediging identiteit

Artikel 9: Scheiding van kind en ouder

Artikel 10: Gezinshereniging

Artikel 11: Kinderontvoering

Artikel 12: Mening van het kind

Artikel 13: Vrijheid van meningsuiting

Artikel 14: Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst

Artikel 15: Vrijheid van vereniging en vergadering

Artikel 16: Privacy

Artikel 17: Toegang tot informatie

Artikel 18: Verantwoordelijkheden van ouders

Artikel 19: Geweld, mishandeling en verwaarlozing

Artikel 20: Kind zonder ouderlijke zorg

Artikel 21: Adoptie

Artikel 22: Minderjarige vluchtelingen

Artikel 23: Kind met handicap

Artikel 24: Gezondheid en gezondheidszorg

Artikel 25: Periodieke evaluatie uithuisplaatsing

Artikel 26: Sociale voorzieningen

Artikel 27: Toereikende levensstandaard

Artikel 28: Onderwijs

Artikel 29: Doel onderwijs

Artikel 30: Kinderen uit minderheidsgroepen

Artikel 31: Vrije tijd, spel en recreatie

Artikel 32: Economische uitbuiting en schadelijke arbeid

Artikel 33: Drugsmisbruik

Artikel 34: Seksuele uitbuiting

Artikel 35: Ontvoering, verhandeling en verkoop van kinderen

Artikel 36: Andere vormen van uitbuiting

Artikel 37: Foltering en vrijheidsbeneming

Artikel 38: Gewapende conflicten

Artikel 39: Passende zorg voor slachtoffers van geweld

Artikel 40: Jeugdstrafrecht

Artikel 41: Verderstrekkende bepalingen

Artikel 42: Voorlichting

Artikel 43: Comité voor de Rechten van het Kind

Artikel 44: Rapportageverplichting

Artikel 45: Gespecialiseerde organisaties

Artikel 46 – 54: Toetreding, wijzigingen, voorbehouden en opzegging