Main content

Verdragstekst

Lid 1 Een kind dat tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort, moet missen, of dat men in zijn of haar eigen belang niet kan toestaan in het gezin te blijven, heeft recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege.

Lid 2 De Staten die partij zijn, waarborgen, in overeenstemming met hun nationale recht, een andere vorm van zorg voor dat kind.

Lid 3 Deze zorg kan, onder andere, plaatsing in een pleeggezin omvatten, kafalah volgens het Islamitische recht, adoptie, of, indien noodzakelijk, plaatsing in geschikte instellingen voor kinderzorg. Bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal.

Kern
Kinderen die tijdelijk of permanent niet in hun eigen gezin kunnen opgroeien hebben recht op bijzondere bescherming. De overheid moet zorgen voor alternatieve opvang, zoals een pleeggezin of als dat nodig is een gezinsvervangend tehuis.

Toelichting
Ieder kind heeft het recht om in een liefdevol gezin op te groeien of in een gezinsvervangende situatie. Tehuizen bieden dit meestal niet voldoende. Daarom moet er altijd eerst gezocht worden naar een geschikt pleeggezin. Daarbij moet rekening te worden gehouden met de culturele en/of religieuze achtergrond en de taal van het kind. Kinderen zonder ouders hebben het vaak erg zwaar en daarom hebben ze extra bescherming nodig van de overheid.

Een belangrijk uitgangspunt in het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om op te groeien bij hun ouders. Soms is dit niet mogelijk of is het niet in het belang van kinderen om bij de eigen ouders te (blijven) wonen, bijvoorbeeld als ouders niet goed voor ze kunnen zorgen. Een kind kan dan naar een pleeggezin gaan. Hierbij geldt een hiërarchie: er moet eerst gekeken worden naar een netwerkplaatsing. Daarna naar een pleeggezin en pas daarna naar een instelling.

Het kind heeft óók recht op continuïteit in de opvoeding. Dat betekent dat de gezins- en opvoedsituatie niet elke keer veranderd moet worden, omdat dat niet goed is voor de ontwikkeling van een kind. Een kind heeft een zekere mate van rust en stabiliteit nodig. Ook omdat een kind zich moet kunnen hechten aan vertrouwde en betrouwbare volwassenen. Deze twee rechten kunnen met elkaar botsen. Als een kind bijvoorbeeld al jaren in een pleeggezin verblijft en de vraag wordt opgeworpen of het kind weer terug kan naar zijn ouders, dan moet er dus een afweging gemaakt worden tussen het recht van het kind om bij zijn ouders op te groeien enerzijds en het recht op continuïteit in de opvoeding anderzijds. De Verenigde Naties hebben de Richtlijnen voor Alternatieve Zorg opgesteld die een uitgebreide aanvulling vormen op de wijze waarop artikel 20 moet worden geïnterpreteerd.

Meer informatie:

Kijk hier voor een uitleg over General Comment nr. 6 over de omgang met alleenstaande minderjarige kinderen die niet in hun eigen land verblijven.