Main content

Verdragstekst
Lid 1 De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

Lid 2 De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Lid 3 De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma’s voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

Lid 4 De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.

Kern
Ieder kind heeft recht op een toereikende levensstandaard.

Toelichting

Een toereikende levensstandaard houdt in een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, morele en maatschappelijke ontwikkeling. Dus: ieder kind heeft recht op basisvoorzieningen om veilig en gezond op te kunnen groeien. Denk aan onderdak, kleding, voldoende eten en drinken, gezondheidszorg, onderwijs en speelmogelijkheden. De verantwoordelijkheid om hiervoor te zorgen ligt in de eerste plaats bij ouders, maar de overheid moet hen hierbij helpen als dit nodig is. Zo kan de overheid financiële of materiële bijstand bieden aan ouders en hun kinderen. De overheid dient maatregelen te nemen gericht op het terugdringen van armoede onder gezinnen met kinderen. Kinderen die opgroeien in armoede hebben minder kansen om zich goed te ontwikkelen en hun talenten te ontplooien. Zij ondervinden vaker de negatieve gevolgen van sociale uitsluiting, segregatie en achterstelling.

Het bieden van ondersteuning op het gebied van huisvesting wordt expliciet genoemd als onderdeel van dit recht. Rijkere landen hebben bovendien de plicht om kinderen in andere landen te helpen zodat in hun basisbehoeften wordt voorzien. De ‘Special Rapporteur on adequate housing’ stelt dat het hebben van een veilige plek om te wonen één van de fundamentele elementen van de menselijke waardigheid, fysieke en geestelijke gezondheid is. Het maakt deel uit van de algemene kwaliteit van leven. Het VN-Kinderrechtencomité heeft deze interpretatie overgenomen en daarbij opgemerkt dat het recht op huisvesting samenhangt met zo ongeveer elk recht in het VN-Kinderrechtenverdrag.
 
Het recht op een toereikende levensstandaard vloeit niet alleen voort uit artikel 27 van VN-Kinderrechtenverdragmaar ook uit artikel 17 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) heeft duidelijk gemaakt dat iedereen het recht heeft op leven en op een bepaald bestaansminimum, ook wel aangeduid als de ‘humanitaire ondergrens’. In 2009 concludeerde het ECSR dat Nederland in strijd handelde met het ESH door migrantenkinderen op straat te laten leven. Daarop heeft de Hoge Raad 2012 beslist dat kinderen en hun verzorgende ouder(s) adequate opvang geboden moet worden zodat een humanitaire noodsituatie wordt voorkomen.

Meer informatie: